Jasper dacht dat het bij hem thuis later ongeveer zou gaan zoals hij het kende van vroeger: vader werkt, moeder zorgt. Tot zijn vrouw daar een streep door zette. Als zij samen kinderen kregen, dan zouden ze het ook samen doen. Dat vond hij meteen logisch. Alleen bleek logisch iets anders dan vanzelfsprekend.
Toen hun dochter Zare werd geboren, voelde Jasper zich niet direct de vader die hij dacht te moeten zijn. Dat gevoel kwam pas later, zegt hij, door te zorgen. Door luiers te verschonen, voedingen klaar te maken en er simpelweg te zijn. Juist in dat zoekende begin ontdekte hij iets waar nog altijd weinig taal voor is: hoe weinig de buitenwereld vaders helpt om meegenomen te worden in het proces van het vaderschap.
Je vrouw maakte al vroeg duidelijk dat jullie het ouderschap anders zouden verdelen dan jullie zelf hadden meegekregen. Hoe was dat voor jou?
“Wij komen allebei uit een vrij traditioneel christelijk milieu. Grote gezinnen ook. Bij mij thuis waren we met negen. Daar was het patroon heel duidelijk: de moeder was thuis voor de kinderen en de vader werkte. Dat waren voor ons allebei de voorbeelden waarmee we waren opgegroeid. Dus als ik heel eerlijk ben, had ik in mijn hoofd ook wel een beetje: nou, dat zullen wij ongeveer ook zo gaan doen.
Mijn vrouw heeft dat opengebroken. Zij zei heel duidelijk: nee, zo gaan we het niet doen. Wij willen allebei een kind, dus we gaan dat ook gelijk verdelen. Ik vond meteen dat ze gelijk had. In theorie, want in de praktijk moest ik mijn beeld van werk, zorg en vaderschap behoorlijk bijstellen.”
Je hebt eerder geschreven dat het voor vaders eigenlijk al in de verloskamer begint. Wat bedoel je daarmee?
“Mijn punt was nooit dat vaders aandacht moeten krijgen omdat ze zielig zijn. Dat werd er soms wel van gemaakt, alsof ik zat te klagen dat het eens een keer niet om de man ging. Dat is helemaal niet wat ik bedoel. Mijn punt is juist: als je wilt dat vaders echt meedoen in gelijkwaardig ouderschap, dan begint dat in de verloskamer of zelfs daarvoor. Je moet een vader niet tegen de radiator zetten en doen alsof hij er niet bij hoort.
Je moet hem betrekken. Er zijn genoeg vaders die denken: nou, blijkbaar hoor ik hier niet echt bij, dus het zal wel. Dan krijg je precies het soort passiviteit waar je later last van hebt. Mijn pleidooi is heel simpel: spreek vaders vanaf het begin aan op hun verantwoordelijkheid.”
Hoe was de zwangerschap van Zare voor jullie en hoe beleefde jij daarna de bevalling?
“Mijn vrouw vond die eerste zwangerschap echt heel zwaar en heftig. Ze had er weinig romantische gevoelens bij. Er mocht ook niemand aan haar buik zitten. Niemand hoefde er al te blij of zoetsappig over te doen. Ik stond daar als partner natuurlijk naast. Ik vond het ook vooral een mysterie. Je hebt geen idee waar je aan begint.
De bevalling was heel heftig. Ze moest worden ingeleid en had het echt heel zwaar. Zij verzette zich ook heel erg tegen wat er in haar lichaam gebeurde, waardoor het voor haar nog moeilijker werd. Ik stond erbij en je doet wat je kunt, alleen de pijn zit in haar lichaam. Je kunt een hand vasthouden en een washandje aangeven, maar de pijn niet overnemen of eerlijk verdelen.”
Hoe groeide je daarna in je vaderschap?
“Ik voelde me geen geboren vader. Dat is echt gegroeid. Een deel van mij dacht na de bevalling vooral: zo, het is klaar, nu gaan we uitrusten. Zo onvoorbereid was ik eigenlijk. Vervolgens blijkt ineens dat je om de paar uur wakker wordt voor voedingen en dat het leven totaal anders is.
Ik ben vader geworden door te doen. Door luiers te verschonen, voedingen voor te bereiden, gewoon door te zorgen. Bij elke luier een beetje meer. Moeders hebben daarin denk ik vaak toch een voorsprong. Hun lichaam verandert, zij voelen iets groeien. Als vader blijf je fysiek gewoon wie je was, terwijl je na negen maanden wel klaar moet zijn om dat kind te ontvangen.
Dat is ook een deel van waarom ik later zo scherp ben gaan kijken naar hoe vaders worden meegenomen. Je hebt als vader toch een soort achterstand. Dan helpt het niet als de buitenwereld je ook nog behandelt alsof je er een beetje bij hangt.”
Jullie hebben het ouderschap uiteindelijk wel echt gelijkwaardig verdeeld. Hoe zag dat eruit?
“We hebben het eigenlijk vrij snel fifty-fifty gedaan. We waren allebei zzp’er, dus in die zin was het ook praktisch mogelijk om het samen te verdelen. Ik ben minder gaan werken. In het begin denk ik iets van anderhalve dag thuis, en later hebben we het gelijk verdeeld. In tijd is het gelijkwaardig. Het is niet op voorhand een discussie wie er zorgt.
Gelijkwaardig betekent voor mij niet dat je alles identiek doet. We hebben allebei een andere bijdrage thuis. Ik ben bijvoorbeeld best goed in de wasjes draaien en vouwen. Mijn vrouw is veel meer van de klussen en de boormachine. Het gaat er voor mij meer om dat je het samen draagt.”
Jullie kozen later voor een tweede kind. Hoe kwam die keuze tot stand?
“Er speelden meerdere dingen mee. Het leek ons ook wel een beetje saai voor Zare om alleen op te groeien. Sociale druk speelde eerlijk gezegd ook mee. Iedereen om ons heen kreeg een tweede of derde kind. Dan voel je toch dat dat iets met je doet, ook al wil je jezelf graag wijsmaken dat je daar vrij van bent.
Onze eigen achtergrond speelde ook mee. Ik kom uit een gezin van negen, ergens leeft er dan toch een beeld dat één kind wel heel weinig is. Twee voelde logisch. Deze zwangerschap was voor mijn vrouw prettiger en de bevalling ook veel voorspoediger. We waren ook beter voorbereid, haha.”
Waar ging het dan mis voor jou na de geboorte van Sanne?
“Toen het slaapgebrek zijn tol begon te eisen, ben ik echt behoorlijk gecrasht. Ik heb vroeger al depressieve klachten gehad. Na vier of vijf nachten nauwelijks slapen ging ik psychisch hard onderuit. Mijn vrouw had lichamelijk veel te verduren. Ik ging juist mentaal onderuit. Dat was een heel moeilijk hoofdstuk.
Ik heb dat nooit officieel laten diagnosticeren als een postnatale depressie, maar ik denk wel dat er zoiets speelde. Na de geboorte van Zare heb ik ook al heel hard liggen huilen, echt een uur lang, omdat ik het zo heftig vond. De tweede keer huilde ik niet, alleen ging ik wel veel verder onderuit. Het raakte aan oude depressieve klachten, aan slapeloosheid, aan machteloosheid. Dingen van vroeger kwamen waarschijnlijk ook naar boven, helaas op een heel ongelegen moment.”
Wat maakte dat zo ingewikkeld?
“Iets in mij dacht natuurlijk ook: zij heeft fysiek alles doorstaan, dus wie ben ik dan om te zeggen dat het met míj niet goed gaat? Dat speelt echt mee. Tegelijk voelde zij heel duidelijk: je moet er nu zijn, en je bent er niet. Daar zit meteen de tragiek van zo’n periode in. Je wilt er zijn, je doet je best, alleen het lukt niet zoals je zou willen.
Het was mijn vrouw die na een maand of zes zei: je moet echt naar de huisarts, want ik denk dat je depressief bent. Daarvoor snapte ik zelf eigenlijk niet goed wat er met me gebeurde. Ik wist alleen dat ik het niet meer trok. Uiteindelijk kreeg ik medicatie en therapie en dat hielp.”
Wat deed het met jullie relatie?
“Er komen twee mensen bij in je leven, en daarmee ook vermoeidheid, pedagogische kwesties en oude pijn. We zijn pas een tijd nadat onze kinderen er waren in relatietherapie gegaan. Achteraf denk ik dat het beter was geweest als we dit eerder hadden gedaan.
Een langetermijnrelatie is al best een lastige exercitie, laat staan met kinderen. De onderlinge communicatie kan ingrijpend veranderen, omdat je met kinderen in huis andere ‘talen’ gaat spreken. Veel stellen kloppen pas aan als het misgaat, terwijl je met relatietherapie ook problemen vooraf het hoofd kunt bieden.”
Je bent kritisch op hoe de samenleving nog steeds naar vaders en moeders kijkt. Waar zit dat voor jou het meest in?
“In heel veel kleine dingen. Dat bij de BSO of op school vaak nog steeds eerst de moeder wordt gebeld. Dat moeders bijna automatisch het voortouw nemen. Dat mannen toch net wat meer blijven werken dan hun partner. We denken graag dat we al heel ver zijn, maar in de praktijk zijn we dat vaak nog helemaal niet.
Als ik zeg: mannen moeten ruimte maken, maar vrouwen moeten ook ruimte nemen, dan bedoel ik niet dat vrouwen schuld hebben aan ongelijkheid. Ik bedoel dat gelijkwaardigheid van beide kanten iets vraagt. Mannen moeten stoppen met automatisch meer ruimte innemen. Vrouwen moeten ook oppassen dat ze zich niet vanzelf in die klassieke zorgrol laten duwen, thuis, op werk en financieel. Ik zie nog best vaak dat vrouwen minder opbouwen, minder zelfstandig worden en dat dat zich later tegen hen keert. Daar zit voor mij ook emancipatie.”
Wat heeft het vaderschap in je veranderd?
“Kinderen zijn spiegels. Ik zie leuke dingen van mezelf in hen terug, maar ook moeilijke en tragische kanten. Dat is confronterend. Ik heb ook veel meer begrip gekregen voor mijn eigen ouders. Zolang je zelf geen kinderen hebt, is het makkelijk om hen te veroordelen. Daarna snap je beter hoeveel er meespeelt.
De liefde voor je kinderen is natuurlijk ook echt uniek. Dat klinkt cliché, maar het is wel waar. Tegelijk blijft het ook gewoon heel moeilijk om kinderen groot te brengen. Die twee dingen kunnen prima naast elkaar bestaan.”


